to rear: coniugazione dei verbi inglese-nederlandese

Infinito: to rear (Coniugazione verbo)

Present

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik fok

you rear

jij (je) fokt

he/she/it rears

hij/zij/het fokt

we rear

wij (we) fokken

you rear

jullie fokken

they rear

zij (ze) fokken

Present continuous

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik fok
jij (je) fokt

he/she/it is rearing

hij/zij/het fokt
wij (we) fokken
jullie fokken
zij (ze) fokken

Simple past

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik fokte

you reared

jij (je) fokte

he/she/it reared

hij/zij/het fokte
wij (we) fokten

you reared

jullie fokten

they reared

zij (ze) fokten

Past continuous

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik fokte
jij (je) fokte

he/she/it was rearing

hij/zij/het fokte
wij (we) fokten
jullie fokten
zij (ze) fokten

Present perfect

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gefokt
jij (je) hebt gefokt

he/she/it has reared

hij/zij/het heeft gefokt
wij (we) hebben gefokt
jullie hebben gefokt
zij (ze) hebben gefokt

Present perfect continuous

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gefokt
jij (je) hebt gefokt
hij/zij/het heeft gefokt
wij (we) hebben gefokt
jullie hebben gefokt
zij (ze) hebben gefokt

Past perfect

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gefokt
jij (je) had gefokt

he/she/it had reared

hij/zij/het had gefokt
wij (we) hadden gefokt
jullie hadden gefokt
zij (ze) hadden gefokt

Past perfect continuous

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gefokt
jij (je) had gefokt
hij/zij/het had gefokt
wij (we) hadden gefokt
jullie hadden gefokt
zij (ze) hadden gefokt

Future

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal fokken
jij (je) zult fokken

he/she/it will rear

hij/zij/het zal fokken
wij (we) zullen fokken
jullie zullen fokken
zij (ze) zullen fokken

Future

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou fokken
jij (je) zou fokken

he/she/it will rear

hij/zij/het zou fokken
wij (we) zouden fokken
jullie zouden fokken
zij (ze) zouden fokken

Future continuous

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal fokken
jij (je) zult fokken

he/she/it will be rearing

hij/zij/het zal fokken
wij (we) zullen fokken
jullie zullen fokken
zij (ze) zullen fokken

Future perfect

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gefokt hebben
jij (je) zult gefokt hebben
hij/zij/het zal gefokt hebben
wij (we) zullen gefokt hebben
jullie zullen gefokt hebben
zij (ze) zullen gefokt hebben

Future perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gefokt hebben
jij (je) zou gefokt hebben
hij/zij/het zou gefokt hebben
wij (we) zouden gefokt hebben
jullie zouden gefokt hebben
zij (ze) zouden gefokt hebben

Future perfect continuous

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gefokt hebben
jij (je) zult gefokt hebben
hij/zij/het zal gefokt hebben
wij (we) zullen gefokt hebben
jullie zullen gefokt hebben
zij (ze) zullen gefokt hebben

Conditional present

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou fokken
jij (je) zou fokken

he/she/it would rear

hij/zij/het zou fokken
wij (we) zouden fokken
jullie zouden fokken
zij (ze) zouden fokken

Conditional perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gefokt hebben
jij (je) zou gefokt hebben
hij/zij/het zou gefokt hebben
wij (we) zouden gefokt hebben
jullie zouden gefokt hebben
zij (ze) zouden gefokt hebben

Conditional present progressive

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou fokken
jij (je) zou fokken
hij/zij/het zou fokken
wij (we) zouden fokken
jullie zouden fokken
zij (ze) zouden fokken

Conditional perfect progressive

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gefokt hebben
jij (je) zou gefokt hebben
hij/zij/het zou gefokt hebben
wij (we) zouden gefokt hebben
jullie zouden gefokt hebben
zij (ze) zouden gefokt hebben

Imperative

gebiedende wijs

you rear

jij (je) fok

you rear

jullie fok

Present participle

onvoltooid deelwoord
fokkend

Past participle

voltooid deelwoord
gefokt