to read: coniugazione dei verbi inglese-nederlandese

Infinito: to read (Coniugazione verbo)

Present

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik hoor

you read

jij (je) hoort

he/she/it reads

hij/zij/het hoort

we read

wij (we) horen

you read

jullie horen

they read

zij (ze) horen

Present continuous

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik hoor
jij (je) hoort

he/she/it is reading

hij/zij/het hoort
wij (we) horen
jullie horen
zij (ze) horen

Simple past

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik hoorde

you read

jij (je) hoorde

he/she/it read

hij/zij/het hoorde

we read

wij (we) hoorden

you read

jullie hoorden

they read

zij (ze) hoorden

Past continuous

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik hoorde
jij (je) hoorde

he/she/it was reading

hij/zij/het hoorde
wij (we) hoorden
jullie hoorden
zij (ze) hoorden

Present perfect

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gehoord
jij (je) hebt gehoord

he/she/it has read

hij/zij/het heeft gehoord
wij (we) hebben gehoord
jullie hebben gehoord
zij (ze) hebben gehoord

Present perfect continuous

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gehoord
jij (je) hebt gehoord
hij/zij/het heeft gehoord
wij (we) hebben gehoord
jullie hebben gehoord
zij (ze) hebben gehoord

Past perfect

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gehoord
jij (je) had gehoord

he/she/it had read

hij/zij/het had gehoord
wij (we) hadden gehoord
jullie hadden gehoord
zij (ze) hadden gehoord

Past perfect continuous

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gehoord
jij (je) had gehoord
hij/zij/het had gehoord
wij (we) hadden gehoord
jullie hadden gehoord
zij (ze) hadden gehoord

Future

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal horen
jij (je) zult horen

he/she/it will read

hij/zij/het zal horen
wij (we) zullen horen
jullie zullen horen
zij (ze) zullen horen

Future

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou horen
jij (je) zou horen

he/she/it will read

hij/zij/het zou horen
wij (we) zouden horen
jullie zouden horen
zij (ze) zouden horen

Future continuous

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal horen
jij (je) zult horen

he/she/it will be reading

hij/zij/het zal horen
wij (we) zullen horen
jullie zullen horen
zij (ze) zullen horen

Future perfect

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gehoord hebben
jij (je) zult gehoord hebben

he/she/it will have read

hij/zij/het zal gehoord hebben
wij (we) zullen gehoord hebben
jullie zullen gehoord hebben
zij (ze) zullen gehoord hebben

Future perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gehoord hebben
jij (je) zou gehoord hebben

he/she/it will have read

hij/zij/het zou gehoord hebben
wij (we) zouden gehoord hebben
jullie zouden gehoord hebben
zij (ze) zouden gehoord hebben

Future perfect continuous

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gehoord hebben
jij (je) zult gehoord hebben
hij/zij/het zal gehoord hebben
wij (we) zullen gehoord hebben
jullie zullen gehoord hebben
zij (ze) zullen gehoord hebben

Conditional present

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou horen
jij (je) zou horen

he/she/it would read

hij/zij/het zou horen
wij (we) zouden horen
jullie zouden horen
zij (ze) zouden horen

Conditional perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gehoord hebben
jij (je) zou gehoord hebben

he/she/it would have read

hij/zij/het zou gehoord hebben
wij (we) zouden gehoord hebben
jullie zouden gehoord hebben
zij (ze) zouden gehoord hebben

Conditional present progressive

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou horen
jij (je) zou horen
hij/zij/het zou horen
wij (we) zouden horen
jullie zouden horen
zij (ze) zouden horen

Conditional perfect progressive

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gehoord hebben
jij (je) zou gehoord hebben
hij/zij/het zou gehoord hebben
wij (we) zouden gehoord hebben
jullie zouden gehoord hebben
zij (ze) zouden gehoord hebben

Imperative

gebiedende wijs

you read

jij (je) hoor

you read

jullie hoor

Present participle

onvoltooid deelwoord
horend

Past participle

voltooid deelwoord
gehoord