to must: coniugazione dei verbi inglese-nederlandese

Infinito: to must (Coniugazione verbo)

Present

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik behoor

you must

jij (je) behoort

he/she/it must

hij/zij/het behoort

we must

wij (we) behoren

you must

jullie behoren

they must

zij (ze) behoren

Present continuous

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik behoor
jij (je) behoort

he/she/it is musting

hij/zij/het behoort
wij (we) behoren
jullie behoren
zij (ze) behoren

Simple past

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik behoorde

you must

jij (je) behoorde

he/she/it must

hij/zij/het behoorde

we must

wij (we) behoorden

you must

jullie behoorden

they must

zij (ze) behoorden

Past continuous

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik behoorde
jij (je) behoorde

he/she/it was musting

hij/zij/het behoorde
wij (we) behoorden
jullie behoorden
zij (ze) behoorden

Present perfect

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb behoord
jij (je) hebt behoord

he/she/it has must

hij/zij/het heeft behoord
wij (we) hebben behoord
jullie hebben behoord
zij (ze) hebben behoord

Present perfect continuous

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb behoord
jij (je) hebt behoord
hij/zij/het heeft behoord
wij (we) hebben behoord
jullie hebben behoord
zij (ze) hebben behoord

Past perfect

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had behoord
jij (je) had behoord

he/she/it had must

hij/zij/het had behoord
wij (we) hadden behoord
jullie hadden behoord
zij (ze) hadden behoord

Past perfect continuous

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had behoord
jij (je) had behoord
hij/zij/het had behoord
wij (we) hadden behoord
jullie hadden behoord
zij (ze) hadden behoord

Future

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal behoren
jij (je) zult behoren

he/she/it will must

hij/zij/het zal behoren
wij (we) zullen behoren
jullie zullen behoren
zij (ze) zullen behoren

Future

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou behoren
jij (je) zou behoren

he/she/it will must

hij/zij/het zou behoren
wij (we) zouden behoren
jullie zouden behoren
zij (ze) zouden behoren

Future continuous

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal behoren
jij (je) zult behoren

he/she/it will be musting

hij/zij/het zal behoren
wij (we) zullen behoren
jullie zullen behoren
zij (ze) zullen behoren

Future perfect

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal behoord hebben
jij (je) zult behoord hebben

he/she/it will have must

hij/zij/het zal behoord hebben
wij (we) zullen behoord hebben
jullie zullen behoord hebben
zij (ze) zullen behoord hebben

Future perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou behoord hebben
jij (je) zou behoord hebben

he/she/it will have must

hij/zij/het zou behoord hebben
wij (we) zouden behoord hebben
jullie zouden behoord hebben
zij (ze) zouden behoord hebben

Future perfect continuous

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal behoord hebben
jij (je) zult behoord hebben
hij/zij/het zal behoord hebben
wij (we) zullen behoord hebben
jullie zullen behoord hebben
zij (ze) zullen behoord hebben

Conditional present

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou behoren
jij (je) zou behoren

he/she/it would must

hij/zij/het zou behoren
wij (we) zouden behoren
jullie zouden behoren
zij (ze) zouden behoren

Conditional perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou behoord hebben
jij (je) zou behoord hebben

he/she/it would have must

hij/zij/het zou behoord hebben
wij (we) zouden behoord hebben
jullie zouden behoord hebben
zij (ze) zouden behoord hebben

Conditional present progressive

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou behoren
jij (je) zou behoren
hij/zij/het zou behoren
wij (we) zouden behoren
jullie zouden behoren
zij (ze) zouden behoren

Conditional perfect progressive

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou behoord hebben
jij (je) zou behoord hebben
hij/zij/het zou behoord hebben
wij (we) zouden behoord hebben
jullie zouden behoord hebben
zij (ze) zouden behoord hebben

Imperative

gebiedende wijs

you must

jij (je) behoor

you must

jullie behoor

Present participle

onvoltooid deelwoord
behorend

Past participle

voltooid deelwoord
behoord

Present

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik hoor

you must

jij (je) hoort

he/she/it must

hij/zij/het hoort

we must

wij (we) horen

you must

jullie horen

they must

zij (ze) horen

Present continuous

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik hoor
jij (je) hoort

he/she/it is musting

hij/zij/het hoort
wij (we) horen
jullie horen
zij (ze) horen

Simple past

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik hoorde

you must

jij (je) hoorde

he/she/it must

hij/zij/het hoorde

we must

wij (we) hoorden

you must

jullie hoorden

they must

zij (ze) hoorden

Past continuous

onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik hoorde
jij (je) hoorde

he/she/it was musting

hij/zij/het hoorde
wij (we) hoorden
jullie hoorden
zij (ze) hoorden

Present perfect

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gehoord
jij (je) hebt gehoord

he/she/it has must

hij/zij/het heeft gehoord
wij (we) hebben gehoord
jullie hebben gehoord
zij (ze) hebben gehoord

Present perfect continuous

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gehoord
jij (je) hebt gehoord
hij/zij/het heeft gehoord
wij (we) hebben gehoord
jullie hebben gehoord
zij (ze) hebben gehoord

Past perfect

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gehoord
jij (je) had gehoord

he/she/it had must

hij/zij/het had gehoord
wij (we) hadden gehoord
jullie hadden gehoord
zij (ze) hadden gehoord

Past perfect continuous

voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gehoord
jij (je) had gehoord
hij/zij/het had gehoord
wij (we) hadden gehoord
jullie hadden gehoord
zij (ze) hadden gehoord

Future

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal horen
jij (je) zult horen

he/she/it will must

hij/zij/het zal horen
wij (we) zullen horen
jullie zullen horen
zij (ze) zullen horen

Future

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou horen
jij (je) zou horen

he/she/it will must

hij/zij/het zou horen
wij (we) zouden horen
jullie zouden horen
zij (ze) zouden horen

Future continuous

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal horen
jij (je) zult horen

he/she/it will be musting

hij/zij/het zal horen
wij (we) zullen horen
jullie zullen horen
zij (ze) zullen horen

Future perfect

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gehoord hebben
jij (je) zult gehoord hebben

he/she/it will have must

hij/zij/het zal gehoord hebben
wij (we) zullen gehoord hebben
jullie zullen gehoord hebben
zij (ze) zullen gehoord hebben

Future perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gehoord hebben
jij (je) zou gehoord hebben

he/she/it will have must

hij/zij/het zou gehoord hebben
wij (we) zouden gehoord hebben
jullie zouden gehoord hebben
zij (ze) zouden gehoord hebben

Future perfect continuous

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gehoord hebben
jij (je) zult gehoord hebben
hij/zij/het zal gehoord hebben
wij (we) zullen gehoord hebben
jullie zullen gehoord hebben
zij (ze) zullen gehoord hebben

Conditional present

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou horen
jij (je) zou horen

he/she/it would must

hij/zij/het zou horen
wij (we) zouden horen
jullie zouden horen
zij (ze) zouden horen

Conditional perfect

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gehoord hebben
jij (je) zou gehoord hebben

he/she/it would have must

hij/zij/het zou gehoord hebben
wij (we) zouden gehoord hebben
jullie zouden gehoord hebben
zij (ze) zouden gehoord hebben

Conditional present progressive

onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou horen
jij (je) zou horen
hij/zij/het zou horen
wij (we) zouden horen
jullie zouden horen
zij (ze) zouden horen

Conditional perfect progressive

voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gehoord hebben
jij (je) zou gehoord hebben
hij/zij/het zou gehoord hebben
wij (we) zouden gehoord hebben
jullie zouden gehoord hebben
zij (ze) zouden gehoord hebben

Imperative

gebiedende wijs

you must

jij (je) hoor

you must

jullie hoor

Present participle

onvoltooid deelwoord
horend

Past participle

voltooid deelwoord
gehoord